Close

Lief dagboek: meelezen met Nederlanders in de oorlog

03 mei 2020 05:05 / Tweede Wereldoorlog
René en Lucy, herenigd met hun vader Herman Speijer
René en Lucy, herenigd met hun vader Herman Speijer
H Het is dit jaar 75 jaar sinds Nederland bevrijd werd van de Duitsers, en de Tweede Wereldoorlog op zijn einde liep. Om dit jubileum te vieren en alle dappere Nederlanders van toen te herdenken, nemen we in deze serie een kijkje in dagboeken uit die tijd, bijgehouden door mannen en vrouwen uit het hele land. In deze tweede aflevering: de herinneringen van mevrouw Everts-Kessler.

Het dagboek van Bep Everts-Kessler is een beetje anders dan de rest: ze heeft het namelijk later, in 1998, overgetypt en uitgewerkt. In het boekje dat daaruit voortkomt, dat ze 'Myn herinneringen aan de oorlogsjaren' noemt, komen haar herinneringen uit die verschrikkelijke tijd tot leven.

Augustus 1942

"Op een van de bijeenkomsten in Den Haag (ik meen in de Indische buurt) waar Bob en ik aan deelnamen, werd er aan het einde van de bijeenkomst gezegd dat er behoefte was aan onderduikadressen voor Joodse kinderen. We waren bijna een jaar getrouwd (ik was 24 jaar) en mijn verlangen om me in te zetten en met name om met kinderen bezig te zijn was groot. Ik zie mezelf naar voren lopen in dat zaaltje en me heel spontaan melden voor het opnemen van een Joods onderduikertje."

Bep Everts-Kessler is getrouwd met Bob Everts, waarmee ze samenwoont in Wassenaar. Ze zijn vaak te vinden bij stiekeme bijeenkomsten van de Nederlandse Christen Studentenvereniging, waar ze op een dag hoort dat er meer onderduikadressen voor Joodse kinderen nodig zijn.

"Heel kort daarop kregen we bezoek van één van de NCSV'sters (was het Lily Gallois?). Ze zei: 'We hebben een jochie dat ondergebracht moet worden. Hij is een beetje achterlijk en heeft een spraakgebrek, maar als je hem op je schoot neemt en verhaaltjes vertelt vindt hij dat heerlijk.' Hij is vijf jaar oud. Ik had géén idee wat ik van een kind van vijf jaar kon verwachten. Kon hij zichzelf aankleden? Waarmee zou hij spelen; en 'achterlijk'? Hoe moest ik dat aanpakken? Maar een kind op mijn schoot zetten en het verhaaltjes vertellen, ja dat kon ik, dat wist ik zeker. Dus: 'Laat maar komen.'"

En zo gebeurt het. De familie Kessler neemt René Speyer in huis, nog nét geen 6 jaar. Dat was goed nieuws, want dat betekende dat hij de Jodenster nog niet hoefde te dragen. Vastbesloten om dat te voorkomen praten Bep en Bob op het jongetje in: hij moet en zal volhouden dat hij pas 5 jaar oud is.

'Moeder Oorthuys voelde de risico's en wilde haar onderduikstertje weer kwijt'

"En wij begonnen ons leven te delen met dit zeer joods uitziende krullekopje; de grote zwarte ogen, het smalle lijfje en de naar buiten staande platvoetjes. Haile Selassie vonden we hem, waar zou hij vandaan komen? We bekeken de paar kleertjes die hij bij zich had. 'Bonneterie' stond erin."

Waar hij vandaan komt blijft voor de familie Kessler een raadsel. Gelukkig blijkt René al snel allesbehalve achterlijk. Hij pikt de schoollessen die Bep hem geeft razendsnel op. Alleen met zijn spreken loopt hij achter: hij is een stotteraar. De spraakjuffrouw die wordt ingehuurd om hem te helpen, laat het na een paar maanden afweten: uit angst voor straffen van de Duitsers. Toch lukt het spreken hem goed genoeg om regelmatig zijn nieuwe familie te vragen naar Lucy, een meisje dat later zijn zusje blijkt te zijn.

Eind oktober 1942

Om René's zusje te vinden, zoeken Bep en Bob opnieuw contact met Lily Gallois. Lucy bevindt zich op dat moment mijlenver van de Kesslers vandaan, ondergedoken bij de familie Oorthuys in Scheveningen. Maar daar blijkt haar aanwezigheid niet zo geheim als gedacht: er wordt in de buurt gefluisterd dat dat kindje 'zeker niet een Oorthuysje kon zijn'. "Moeder Oorthuys voelde de risico's van de verzorging van dit kindje zwaar drukken, en wilde graag haar onderduikstertje weer kwijt", schrijft Bep over Lucy en haar opvanggezin. "En ikzelf dacht dat de opvoeding van twee kindertjes voor hen en voor mij beter zou zijn en zelfs eenvoudiger dan van dat ene handenbindertje alleen."

En dus doet zich een ruil voor. De Oorthuysen zorgen in november 1942 vier dagen voor René, zodat de Kesslers familie kunnen opzoeken in Zeeuws-Vlaanderen, en dan verhuizen beide kindjes terug naar Wassenaar. "Wat hadden ze beiden (goddank) nog weinig besef van de jacht die er op ze gemaakt werd, in tegenstelling tot de andere onderduikertjes die we enige keren tijdelijk herbergden. Ik denk aan Hanneke, opgejaagd van het ene onderduikadres naar het andere. René, die ondanks het stotteren veel gevoel voor taal had, noemde haar: 'Hanneke-met-der-boze-ogen'. Met die fonkelende zwarte ogen en een rode sjaal om kon ze prachtig dansen: een beeld zo weggelopen uit het Oude Testament."

6 december 1944

"Op de vroege morgen van 6 december 1944 (we hadden de vorige avond notabene nog Sinterklaas gevierd en Opa had voor Sint gespeeld terwille van René en Luus!) werden wij gewaarschuwd door een meisje uit de buurt dat er gevaar dreigde: 'Razzia's in Haarlem waren aan de gang. Treinen stonden klaar met veewagens die geladen werden met gevangenen.' We hadden prachtige schuilplaatsen onder de grond allang geprepareerd en ook al gebruikt. Pappa en Guus verdwenen in dat ongemakkelijke ondiepe hol tussen kelder en vloer. Opa besloot dat Aad, die pas 16 jaar was, in zijn zolderkamer zou gaan zitten werken; het zou te verdacht zijn wanneer er in dat grote huis geen enkel manspersoon was." Aad is een van de vijf kinderen die Opa en Oma op dat moment in huis hebben. Hij is de jongste, en loopt dus het minste gevaar meegenomen te worden naar Duitsland om te werken. "De pikkepeutjes werden met ijsmutsen op en met wat speelgoed in de grote kippenren gestuurd, die donker en modderig onder de struiken gebouwd was."

Een stukje zuiverheid in die rauwe wereld

Het gevaar bleek dichterbij dan gedacht. "Inderdaad kwam er een groep SS'ers die zich niet konden voorstellen dat in zo'n groot huis geen enkele onderduiker zou zitten en die begonnen het hele huis van onder tot boven te onderzoeken." Ze vinden Aad, en proberen de jongen mee te nemen. Hij weet te ontsnappen door uit het raam te springen, en vaart in een bootje ongezien naar de buren aan de overkant van het water. "Wat moedig en erg behulpzaam dat ze me binnenlieten, want het was niet zeker of de Duitsers me toch nog hadden gezien", schrijft Aad aan zijn familie in een brief.

Maar helaas staat op zijn ontsnapping een prijs: Opa wordt meegenomen door de Duitsers als gijzelaar. "Ik zie hem weglopen; berglaarzen en een rugzakje,- wat zou Oma voor hem in dat zakje weggemoffeld hebben?" vraagt Bep zich af in haar dagboek. "– Recht op en rechtschapen. Een stukje zuiverheid in die rauwe wereld en verder? We wisten van huizen die in brand waren gestoken en ook van verplichte evacuaties binnen luttele uren. In ieder geval moesten onze mannen niet langer onder de grond van dit huis blijven."

De mannen van het gezin verspreiden zich, uit angst opgepakt te worden. Zo komt Bob bij de overburen terecht, en belandt broer Guus in een huis van de familie Swens even verderop, waar hij zich verschuilt met twee 'jongens Swens'. Helaas wordt de verstopplek van de drie mannen verraden, gearresteerd en opgesloten in de gevangenis van Haarlem. "Onze dokter Roorda schreef een attest dat Guus tuberculose (T.B) had. Als kind had hij inderdaad veel bronchitis gehad. De Duitsers waren heel benauwd voor T.B. Daarbij kwam dat alle transporten met mannen die bij de razzia's waren opgepakt al naar Duitsland vertrokken waren. Massa-organisatie van bovenaf was het karakter van het Duitse leger: improvisatie bestond niet. Dus zaten ze eigenlijk in hun maag met een handvol 'na-komers' in de gevangenis. Binnen een week al werden de jongens Swens vrijgelaten, en ook Guus."

Ondertussen is Aad nog steeds ondergedoken en Opa nog steeds in handen van de Duitsers. Ook voor hem wordt dokter Roorda ingeschakeld en met zijn hulp weten ze hem vrij te krijgen. Nog vóór Kerstmis 1944 is het gezin weer compleet, inclusief Lucy en René.

Juni 1998

"Nu nog, ruim 50 jaar later, krimpt mijn hart ineen, wanneer we Duitsland bezoeken en de kunstmatig herbouwde antiquiteiten zien en de zakelijke aankondigingen, zoals 'Zerstört 24 Februar 1945' lezen. Al het menselijke leed en de waanzin van de oorlog dringen zich dan aan mij op." Met deze woorden sluit Bep haar memoires af. Haar verhaal heeft gelukkig een goed einde: de hele familie, inclusief René en Lucy overleven de oorlog. Drie jaar na hun scheiding, op 7 mei 1945, worden René en Lucy herenigd met hun vader.

René en Lucy, herenigd met hun vader Herman Speijer
René en Lucy, herenigd met hun vader Herman Speijer

De dagboeken die in deze serie gebruikt worden, zijn afkomstig uit de NIOD-collectie 244, dagboek 1862 van Bep Everts-Kessler.

Theater na de Dam

De dodenherdenking zal er dit jaar natuurlijk anders uitzien dan gebruikelijk en ook de jaarlijkse theatervoorstellingen op 4 mei krijgen een andere vorm. Lezer Sanderien de Jong liet ons weten dat zij maandagavond om 21.00 uur in de Leidse Schouwburg zal voorlezen uit het dagboek van de joodse journalist Isidoor Mozes Leman, die tijdens de oorlog samen met zijn vrouw Maria ondergedoken zat in Drenthe. 

Je kan de voorstelling van Sanderien volgen via een livestream op Facebook. En hier kan je zien wat er allemaal nog meer georganiseerd wordt aan livestreams, podcasts, documentaires en Zoomvoorstellingen. 

Marije Roorda

EVA OP INSTAGRAM