Close

Wat ik had willen weten voordat... ik wees werd

28 september 2020 12:09 / Persoonlijk
H Hindsight is 20/20 zeggen ze wel: achteraf weet je het allemaal zo goed. Kennis waar je zelf niks meer aan hebt, maar waar je een ander wel mee kan helpen. Daarom vragen we in deze rubriek aan ervaringsdeskundigen: wat had je achteraf bezien graag eerder willen weten? Met deze week Ellen Dreezens, die op haar 21e wees werd.

“Mijn vader Walter was mijn held”, zegt Ellen Dreezens (40) stellig. “Hij was geen allemansvriend: je mocht hem of je mocht hem niet. Hij was direct, enthousiast en had een grote waffel. Hij was heel sociaal betrokken, muzikaal, veel met taal bezig. Ik kan me herinneren dat we ’s avonds aan tafel zaten en hij dan Limburgse teksten verzon op bestaande liedjes, voor een coverbandje. Dan telden we samen de lettergrepen, zodat het allemaal klopte.”

Het zijn herinneringen die ze aan haar moeder niet heeft. Zij overleed aan eierstokkanker toen Ellen pas 4 was. “Ik heb natuurlijk veel verhalen over haar gehoord, maar kan niet helemaal inschatten wat ervan klopt: over de doden niets dan goeds natuurlijk. Ik denk dat ze creatief was en grappig en uitbundig. Ze werkte op de prikdienst in een ziekenhuis en als ze dan met haar karretje over de gangen liep, hoorde iedereen haar aankomen, is me weleens verteld.”

'Ik ben er altijd vanuit gegaan dat ook ik vroeg zou overlijden'

Binnen het gezin was haar overleden moeder geen onderwerp van gesprek. “Dat was in 1983, andere tijden echt nog wel. Ik en mijn broertje werden niet bij haar overlijden betrokken. Maar soms zagen we familieleden van haar kant, die dan juist heel emotioneel werden: ‘Wat lijk je toch op je moeder!’ Voor ons was dat verwarrend, wij probeerden met allemaal verschillende emoties van de volwassenen rekening te houden.”

In de tijd na haar overlijden, was Walter vader en moeder tegelijk. Dus toen hij een herseninfarct kreeg, was de klap extra groot. “Ik was toen 17, hij 50. Hij raakte invalide en heeft nog vijf jaar geleefd voordat hij alsnog aan de gevolgen ervan overleed.” Dat was in 2001. Nu, 19 jaar later, kijkt Ellen terug op wat ze achteraf graag had willen weten toen ze wees werd.

1. Ik ben m’n moeder niet

“Ik ben er eigenlijk altijd vanuit gegaan dat ik ook op mijn 33e aan eierstokkanker zou overlijden. Dat was geen bewuste gedachte natuurlijk, gewoon een aanname: zo is het dus.” Het was niet eens per se een naar gevoel, of tenminste niet uitsluitend, vertelt Ellen. “Toen uit een test bleek dat ik niet dezelfde genetische afwijking heb als mijn moeder, was ik dus ook niet per se blij. Wel opgelucht natuurlijk, maar toch: ik voelde me verbonden met mijn moeder in de gedachte dat het mij hetzelfde zou vergaan. Plus: iedereen praatte altijd zo positief over haar, ze kreeg echt een heldenstatus. Dat had ik voor mezelf ook wel gewild.”

Toen ze - voor zichzelf dus tamelijk onverwachts - 34 werd, gaf ze een groot feest waar ze haar verbazing deelde met haar familie: ik ben er nog. “Mijn tante kwam naar me toe, dat ze het zo erg voor me vond dat ik altijd had gedacht dat ik jong zou sterven. Maar voor mij was het eerder neutraal.”

2. Neem de ruimte

“Doordat mijn ouders vroeg stierven, heb ik altijd hard geleefd. Niet per se met feesten of reizen ofzo, maar wel dat ik volledig ga voor alles wat ik leuk vind. En dus doe ik drie keer in de week aan ballet, zit ik bij twee zangkoren en dans de tango. Best intensief naast een baan én een eigen bedrijf. Maar ik had altijd het gevoel gehad dat het nu maar moet gebeuren, want je weet niet wanneer het niet meer kan.”

Dat gevoel evolueerde na haar 34e verjaardag. “Toen kwam ook het besef dat ik misschien nog wel vijftig jaar door kan, een scenario waar ik eerder nooit rekening mee had gehouden. Dat was eng, maar heeft me wel veranderd. Vroeger werkte ik altijd volgens plan, nu heb ik letterlijk meer ruimte voor wat er zomaar op mijn pad komt. Ik heb een kinderboek over rouw geschreven bijvoorbeeld. Iemand opperde dat dat een goed plan zou zijn en twee maanden later werd ik plotseling een keer wakker met het idee helemaal uitgewerkt in mijn hoofd, inclusief welke illustrator ik erbij wilde. Alsof het een tijd had liggen sudderen en zich nu aan me openbaarde. Daar had ik vroeger nooit ruimte voor in mijn hoofd gehad, naast al die vastgelegde plannen.”

3. Het is geen sprookje

Je ziet wezen vaak in sprookjes en musicals; Annie en dat soort verhalen. Het beeld dat daaruit naar voren komt, is dat je leven op z’n kop wordt gezet en dat alles anders wordt. En dat klopt niet, vindt Ellen: “Ik woonde al op mezelf toen mijn vader overleed. Ik was heel zelfstandig, ook financieel. In veel opzichten ging mijn leven gewoon zo door als dat het al was. Mijn broer en ik zijn wel hechter geworden in de jaren daarna.”

'Hoezo denkt iedereen dat ik het wel aankan?'

En het gemis drukt wel een stempel. Natuurlijk. “Ik vind het soms zo ongelofelijk eenzaam, ben ook weleens jaloers op mensen die allebei hun ouders nog hebben. Het idee dat er twee mensen zijn die altijd achter je staan, dat is weg. Deel uitmaken van een gezin is een heel wezenlijk gevoel.” Zelf heeft Ellen nu een man, maar geen kinderen. “Mensen gaan er automatisch van uit dat dat te maken heeft met het verlies van mijn ouders, maar voor mijn gevoel is dat niet zo: ik wist al van jongs af aan dat ik geen kinderwens had.”

4. Spreek je uit

“Ik heb achteraf bezien veel te weinig met mensen gedeeld wat er in me omging”, vindt Ellen. Dat was al zo toen haar vader ziek werd. “De enige die ik er op school over vertelde, was mijn leraar Frans. Ik had in die tijd mondelinge examens en ik moest vertellen hoe mijn dag was geweest. Ik zei dat dat niet ging, omdat ik het Franse woord voor ‘herseninfarct’ niet kende. Hij reageerde in het moment begripvol, maar is er later nooit meer op teruggekomen.” Niemand van school, trouwens.

Ook na de dood van haar vader was er eigenlijk weinig steun. “Mijn broertje Mike was degene die mijn vader vond nadat hij overleden was. De huisarts kwam, maar heeft naderhand nooit meer iets van zich laten horen. Familieleden richtten zich voornamelijk op Mike, die toen nog puber was. Ze vroegen hem vaak te eten of stopten hem wat geld toe. Dat vond ik heel fijn, want dat had hij nodig.” Maar zelf had ze ook wel iets meer aandacht kunnen gebruiken. “Ik ben er het type niet naar om het te vragen, ik wilde juist laten zien dat ik gewoon stug doorging, maar ik vond het tegelijkertijd pijnlijk: hoezo denkt iedereen dat ik het wel aankan?” Durf te vragen, dus.

5. Het is niet alleen maar erg

In zekere zin was er ook opluchting toen Walter stierf. Ellen: “We zaten er jaren tegenaan te hikken, bang voor wat misschien komen zou. Nu is dat leed achter de rug. Mijn man heeft zijn beide ouders nog, hij moet het nog doorleven. Dat doen we samen natuurlijk, maar het heftigste is voor mij al geweest.” En het heeft richting gegeven aan haar werkende leven: ze studeerde en promoveerde in de psychologie en deed een opleiding tot coach om anderen te kunnen begeleiden bij rouw en verlies. Dat gaat overigens niet alleen om het verlies van ouders of andere naasten, maar ook het verlies van bijvoorbeeld je werk, je gezondheid, toekomstbeeld of relatie. “Ik begrijp in mijn botten wat verlies met je kan doen. Daardoor kan ik anderen nu beter begrijpen en ondersteunen.”

Peper Hofstede

LEES MEER OVER