Close

Het zalig falen, met Dannis van Vuurden

15 februari 2021 11:02 / Wereld kinderkankerdag
Dannis van Vuurden
Dannis van Vuurden
Z Zonder wrijving geen glans. Daarom spreken we iedere week iemand over zijn of haar royal fuck-ups en uitzinnige uitglijers, de dingen die niet goed zijn gegaan. Leveren die missers ook wat op? Vandaag, op Wereld Kinderkankerdag, gaat redacteur Floor Bakhuys Roozeboom in gesprek met kinderoncoloog Dannis van Vuurden.

Is er een vak waarin de feilbaarheid van de mens zo genadeloos binnenkomt als dat van een kinderoncoloog? Is er een vak waarin de grens tussen succes en falen, leven en dood zo meedogenloos hard is? Kinderoncoloog Dannis van Vuurden (46) werkt in het Prinses Máxima Centrum voor kinderoncologie in Utrecht en richt zich voornamelijk op de behandeling van hersentumoren.

Toen hij net met dit werk begon had hij maar één doel: zoveel mogelijk kinderen met kanker genezen. Tegenwoordig geneest 75 procent, maar daarmee overlijden in Nederland nog steeds 150 kinderen per jaar aan een vorm van kanker. Als het niet lukt om een kind te genezen is het voor hem soms moeilijk om dat niet als een persoonlijk tekortschieten te zien.

'Juist dat gevoel dat je niet meer kán doen, is moeilijk om je niet persoonlijk aan te trekken'

Inmiddels heeft hij een manier gevonden om de diepe teleurstellingen die hij in zijn vak te verwerken krijgt niet te vertalen in gevoelens van schaamte of schuld, maar naar een onvermoeibare drive om de ziekte er in de toekomst steeds vaker wél onder te krijgen. In de serie Topdokters waarin hij vorig jaar te zien was, was hij open over zijn keuze om in therapie te gaan om hem te leren omgaan met de emotionele impact van zijn vak. Vandaag, op Wereld Kinderkankerdag, vertelt Van Vuurden over zijn drive en belangrijkste lessen.

"Het beeld van artsen als de afstandelijke onfeilbare autoriteit in een witte jas, begint te veranderen. En dat is volgens mij heel goed. Uiteindelijk zijn we ook maar gewoon mensen. Mensen die hun best doen, die soms twijfelen en die soms enorm geraakt worden door wat we meemaken in ons werk."

Je werkt vooral met kinderen met hersenstamkanker, een zeldzame en moeilijk geneesbare vorm van kanker. Als het niet lukt om een kind te genezen, voelt dat voor jou dan als persoonlijk falen?

"Ik heb in het verleden zeker wel geworsteld met dat soort gevoelens. Toen ik begon stond ik er heel strijdbaar en optimistisch in. Ik dacht: zoveel mogelijk kinderen beter maken, dát is mijn doel. En dat gaan we dus gewoon doen. Heel naïef, misschien. Maar dan kom je erachter dat het zo gemakkelijk niet is. Dat je soms veel minder kan doen om een kind te helpen dan je graag zou willen. Ergens voelt het dan alsof je tekortschiet, alsof je faalt. En natuurlijk weet je wel dat het niet echt falen is, want dat suggereert dat je ergens een steek hebt laten vallen. Of dat je een fout hebt gemaakt. Terwijl de vreselijke uitkomst in mijn vak soms onvermijdelijk is. Maar juist dat machteloze, dat gevoel dat je niet meer kán doen, dat kan moeilijk zijn om je niet persoonlijk aan te trekken."

Op wat voor momenten ervaar je dat het sterkst?

"In de gesprekken met ouders en kinderen waarin ik slecht nieuws moet brengen. Ik ben me er dan heel sterk van bewust dat wat ik ga zeggen een vernietigende impact zal hebben. Dat ik een boodschap moet brengen die hun hele leven aan stukken slaat. In Topdokters zei ik dat het dan voelt alsof je een trekker moet overhalen. En soms voelt het ook echt zo. Ook al weet ik natuurlijk wel dat ik alleen maar de boodschapper ben. Dat ik uiteindelijk niet de oorzaak ben van hun verdriet, maar dat onderscheid is op dat moment soms moeilijk te maken. Ook voor hen. Soms vragen ouders mij heel direct: waarom kun je niet meer doen om mijn kind te redden? Of een kind zegt zelf tegen mij: waarom kun je me niet gewoon beter maken? Ik ben pas 12. Dat komt dan wel keihard binnen."

Hoe ga je daarmee om?

"Als je net een rotgesprek achter de rug hebt, dan ga je daarna vaak koffiedrinken met een collega, zodat je even je verhaal kwijt kunt. Maar ik ben vier jaar geleden ook in psychotherapie gegaan en dat heeft me heel veel goed gedaan. Het heeft me vooral geholpen om een betere balans te vinden tussen het inbouwen van een zekere professionele afstand en het behouden van mijn menselijke betrokkenheid. Ik was namelijk bang dat ik die betrokkenheid op den duur zou kwijtraken. Want dat risico loop je. Als je jezelf wil afschermen voor al die heftige emoties kun je in de reflex schieten om jezelf dan maar helemaal af te sluiten. Om een muurtje te bouwen tussen jou en de ander. Dat wilde ik niet."

'Ik maak nog steeds weleens mee dat een collega in huilen uitbarst en dan 'sorry' zegt'

"Foetaal chirurg Monique Haak zei in het programma: 'Als het me ooit niet meer raakt, stop ik ermee.' En zo voel ik dat ook. Betrokkenheid en het vermogen om mee te leven met een ander is niet alleen wat mij mens maakt, het maakt me ook een betere arts. Dat zou ik nooit willen verliezen. Maar ik wilde wel een beter midden vinden. Zorgen dat ik me nog altijd kan laten raken, zonder mezelf er helemaal door te laten opslokken. En dat lukt me nu gelukkig goed."

In Topdokters ben je open over jouw keuze om in therapie te gaan. Is om hulp vragen in de medische wereld een taboe?

"Ik denk wel dat het vroeger meer een taboe geweest is. Dat het tonen van emotie of kwetsbaarheid voor een arts vroeger als not done werd gezien. Maar dat is wel minder aan het worden. Het beeld van de arts als de afstandelijke onfeilbare autoriteit in een witte jas begint te veranderen. En dat is volgens mij heel goed. Uiteindelijk zijn we ook maar gewoon mensen. Mensen die hun best doen, die soms twijfelen en die soms enorm geraakt worden door wat we meemaken in ons werk. Ik maak nog steeds weleens mee dat een collega in huilen uitbarst en dan 'sorry' zegt. Maar waarom zou je je moeten verontschuldigen omdat je laat zien dat je geraakt bent? Ik vind dat juist heel krachtig als je ook je kwetsbaarheid durft te tonen. En dat zeg ik op zo'n moment dan ook."

'Als je leed gaat vergelijken, win je het als kinderoncoloog al snel'

"Dat steeds meer vrouwen in de medische wereld werken, heeft volgens mij wel een positieve invloed gehad. Het is natuurlijk een generalisatie, maar ik heb wel het idee dat vrouwen net wat gemakkelijker over gevoelens praten en dat er daardoor ook steeds meer aandacht is voor de emotionele kant van het vak. Het belang van een empathische en betrokken houding naar de patiënt staat steeds meer centraal, maar ook het belang van goede psychische zorg voor medewerkers. Therapie is in ons centrum bespreekbaar en meer collega's gaven aan daar behoefte aan te hebben. Sinds een jaar is in het Prinses Máxima Centrum een consulent professionele zorg aangesteld die laagdrempelig beschikbaar is voor medewerkers van het ziekenhuis bij psychisch moeilijke situaties. Ik vind dat een heel mooie ontwikkeling. Want ik merk dat als ik goed in mijn vel zit, ik ook echt een betere arts voor mijn patiënten kan zijn."

Zijn er ook momenten dat je jezelf een minder goede arts vindt?

"Ik leer altijd bij. Natuurlijk heb ik wel eens momenten gehad waarvan ik later dacht: dat had ik anders moeten aanpakken. Bijvoorbeeld in lastige gesprekken met ouders. Zo herinner ik me nog goed dat ik een keer een opmerking maakte die bij ouders helemaal verkeerd viel. Het kwam erop neer dat ik zei dat ze soms ook best tegen artsen mochten ingaan, als ze dachten dat dat nodig was. Ik wilde hen met die opmerkingen vooral bekrachtigen. Maar zij dachten dat ik bedoelde dat ze dat in het verleden dus onvoldoende hadden gedaan. Ik voelde meteen dat ze dichtklapten, terwijl het helemaal niet mijn bedoeling was. Dat zijn hele moeilijke momenten. Als het om een kind gaat, zijn de belangen zo groot en spelen er zulke heftige emoties, dan moet je in je communicatie heel zorgvuldig zijn. Ook dingen waar jij zelf misschien niet bij stilstaat, kunnen voor patiënten of ouders gevoelig liggen. Daar moet je je als arts echt van bewust zijn. Daarom zijn dat soort momenten, hoe vervelend ook, voor mij wel belangrijke lessen."

Neem je je werk vaak mee naar huis?

"Voordat ik in therapie ging vond ik het lastiger om mijn werkdag achter me te laten dan nu. Als ik dan een moeilijk gesprek had gehad, was ik helemaal op en viel ik op de bank als een blok in slaap. Ik kan me voorstellen dat dat voor het thuisfront best irritant was. Want het lullige van mijn werk is ook: als je leed gaat vergelijken, win je het als kinderoncoloog al snel. Zeg dan maar eens: pap, heel vervelend dat je net een rotgesprek hebt gehad, maar doe toch maar even gezellig. Terwijl mijn kinderen er ook niks aan kunnen doen dat dit mijn werk is. Ik ben daarom blij dat ik het nu allemaal wat beter kan kanaliseren. Sowieso vind ik een goede balans tussen werk en privé heel belangrijk. Ik besteed bewust een deel van mijn tijd aan onderzoek, en daarmee ben ik niet fulltime in het ziekenhuis. Daarnaast probeer ik genoeg tijd vrij te maken voor dingen die me ook energie geven."

Wat dan bijvoorbeeld?

"Mijn gezin, vrienden, muziek. Maar bijvoorbeeld ook mijn werk voor de wetenschap. Ik doe onderzoek naar nieuwe medicijnen en technieken en daar haal ik heel veel voldoening uit. Ook omdat het me dwingt om buiten mijn eigen wereldje van het ziekenhuis te kijken. Als arts zie ik het ook als mijn rol om een vertegenwoordiger te zijn van mijn onderzoeksgebied en aandacht te vragen voor de problematiek. In de media, in de politiek, in het bedrijfsleven, op sociale media. Ik geloof dat de sleutel voor het uiteindelijk kunnen genezen van kanker ligt in samenwerking en kruisbestuiving; mensen vanuit verschillende disciplines die van elkaar leren, elkaar aan nieuwe inzichten helpen en samen tot dingen in staat zijn die ze alleen nooit hadden gekund."

Kun je een voorbeeld geven?

"Neem de nagellak-actie van Tijn, bij wie ik als arts betrokken was. Met het geld van de actie 'LAK. Door Tijn' is net door Stichting Semmy een robotarm aangeschaft voor het Máxima Centrum, waardoor kinderen met een tumor in de hersenstam in de toekomst op nieuwe manieren kunnen worden behandeld. Die robotarm zorgt hopelijk voor een effectievere behandeling en minder bijwerkingen. Zo'n actie laat goed zien hoeveel er mogelijk is als je mensen weet te raken met jouw boodschap. En hoe belangrijk het is om geld, aandacht en mensen te mobiliseren zodat we stapje voor stapje kunnen toewerken naar volledige genezing."

Geloof je dat het mogelijk is?

"Ja. Dat geloof ik echt. En ik moet het ook wel geloven, want in een wereld waar het niet mogelijk is, wil ik niet leven. Dus uit dat geloof put ik mijn drive. Het helpt heel gericht bezig kan zijn door het onderzoek dat ik doe. Het is prettig om heel concreet na te denken over het probleem, de oplossing en de mogelijke wegen daarnaartoe. Bij kanker in de hersenen is het grootste probleem dat het nog onvoldoende lukt om de medicatie in de hersenen te krijgen. Dus zoek ik naar manieren om dat wel voor elkaar te krijgen. Zo wordt het voor mij een concrete uitdaging en minder een abstracte vijand. Met technologische innovatie bouwen we stap voor stap de operatiekamer van de toekomst, waarmee hersentumoren binnen afzienbare tijd op nieuwe manieren kunnen worden behandeld. Ik geloof er voor de volle 100 procent in dat we de puzzel uiteindelijk kunnen oplossen. Hoelang het misschien ook duurt om daar te komen. Het zou kunnen dat ik op mijn 65e terugkijk en denk: shit, het is toch niet gelukt. Maar weet je, dan heb ik er in elk geval alles aan gedaan. Dan heb ik het in elk geval geprobeerd."

Floor Bakhuys Roozeboom