Close

Het monster onder mijn bed

06 januari 2021 12:01 / Zahra Boufadiss
Columnist background Columnist image
C Columnist Zahra Boufadiss is strafrechtadvocaat in Amsterdam. Op deze plek deelt ze iedere twee weken haar visie op haar werk – en de rest van de wereld.

Iedereen is weleens bang, ik natuurlijk ook. De liefde voor misdaadseries en -boeken is mij thuis met de paplepel ingegoten. Als kind was ik gek op ‘Baantjer’ en ‘Commissaris Rex’. Iedere vrijdagavond zat ik met mijn moeder voor de buis. Maar wanneer ik na Baantjer naar bed ging, was ik bang dat één van de boeven onder mijn bed lag. Soms moest mijn moeder zelfs mee naar mijn slaapkamer om mij gerust te stellen.

Toen ik ouder werd, verdwenen deze angsten. Of nou ja, bijna dan. Wanneer ik in een vliegtuig zit, denk ik tijdens het opstijgen één seconde aan een desastreuze vliegtuigramp. Uit opportunisme doe ik dan een schietgebedje, terwijl ik niet gelovig ben. En vlak voordat ik in slaap val, schiet er heel soms een donkere gedachte door mijn hoofd: wat als mijn hart stopt met kloppen, en ik niet meer wakker word?

Ik ben mijn eigen angst-uitsmijter

Deze doemgedachten hebben één ding gemeen: ze duren maar kort, doordat ik er korte metten mee maak. Gelukkig maar, want anders zouden vliegreizen en slaap tot het verleden behoren. Wanneer een angst aanklopt, doe ik de deur open, maar laat ik hem niet binnen. Ik ben mijn eigen angst-uitsmijter. Hierdoor kan ik over het algemeen onbevangen leven.

Maar zelfs de beste machine heeft weleens kortsluiting. Twee weken geleden drong een Grote Angst met succes mijn hoofd binnen en liet zich niet zomaar wegjagen: mijn moeder testte positief. Een paar minuten in één ruimte met haar vader was alles wat ervoor nodig was. Ze had zelfs de heilige anderhalve meter in ere gehouden. Mijn opa en moeder waren besmet, corona was niet langer een ver-van-mijn-bed-show. Eerst maakte ik mij zorgen om mijn opa, niet om mijn moeder. Mijn opa is 90 jaar, anderhalf keer de risicoleeftijd, maar gek genoeg knapte hij al gauw weer op.

Mijn moeder had alleen wat lichte griepklachten. Logisch ook, vond ik. Met mijn moeder mócht simpelweg niets gebeuren en daarom zóu het ook niet gebeuren, zo maakte ik mezelf wijs. Maar de lichte klachten veranderden al gauw in zware, al deed mijn moeder alsof het wel meeviel. De kern van een moederhart: anderen niet bezorgd willen maken.

Maar uiteindelijk kon ook zij het niet meer ontkennen. De benauwdheid werd te hevig en er moest een huisarts aan haar bed komen. Een dag later werd ze met een ambulance opgehaald en naar het ziekenhuis gebracht. Daar kreeg zij direct extra zuurstof. De communicatie hierover liep vrijwel geheel via mijn stiefvader; van mijn moeder ontving ik opeens geen berichten meer.

Hoe meer ik de angst eruit probeerde te gooien, hoe brutaler hij binnendrong

Toen wist ik dat het menens was. Een van mijn grootste angsten werd opeens een mogelijkheid: wat als mijn moeder doodgaat? Direct ontstond een soort kortsluiting in mijn angstbestrijdingsmechanisme. De altijd werkende mantra’s deden het niet meer. Hoe meer ik deze angst eruit probeerde te gooien, hoe brutaler hij mijn hoofd binnendrong. Ik kon vrijwel aan niets anders meer denken. Een achtbaan met enge gedachteloopings en het was te laat om uit te stappen. Mijn werk was een welkome afleiding, maar ik kon niet dag en nacht op kantoor zitten.

Uiteraard probeerde mijn liefdevolle omgeving om mij gerust te stellen. Ze zeiden dat het goed zou komen, dat mama in goede handen was. Maar de angst verdween niet zomaar uit mijn hoofd, de geest was al uit de fles. Mijn hersenen hadden duidelijk wat anders nodig, maar wat?

Na een aantal dagen druppelden er langzaam wat berichten van mijn moeder zelf binnen. Ze hoefde geen extra zuurstof meer, de koorts was gezakt. Na vijf dagen mocht ze zelfs naar huis. Pas na die geruststellende berichten van mijn moeder, verdween langzaam de angst uit mijn lijf. Alleen zij kon de monsters voor me wegjagen. Net als vroeger. 

LEES MEER OVER