Close

De vreugde van ontslonzing

24 februari 2021 12:02 / Floor Bakhuys Roozeboom
Columnist background Columnist image
F Floor Bakhuys Roozeboom (37) is schrijver en journalist. Ze woont in Amsterdam met haar vriend en twee kleine kinderen. Hier deelt ze haar verwonderingen over de belangrijke (en minder belangrijke) zaken des levens.

Het besef dat ik het kantelpunt heb bereikt, komt ochtends voor de spiegel.

Vergeefs probeer ik de plooien van de nacht uit mijn gezicht te strijken. Mijn haar dat ik al twintig jaar in een vormvast Linda de Mol-kapsel draag, nestelt in een kleurloos stro-achtig bundeltje bovenop mijn hoofd. Mijn gezicht heeft door het gebrek aan buitenlucht en algeheel joie de vivre langzaam de kleur van nat rijstpapier aangenomen.

Terwijl ik mijn vingers op de paarse kringetjes onder mijn ogen leg, bedenk ik dat het niet helemaal hopeloos is. Met een beetje ijver valt er nog best iets van te maken. Maar juist aan de ijver ontbreekt het. Als je nergens meer komt, heb je ook nooit meer een urgente reden om jezelf weer eens op te poetsen tot het glanzendste appeltje uit de schaal.

Als freelancer die al jaren thuis achter haar bureau schuift, ben ik bekend met de verschillende fasen van verslonzing. In het begin overheerst de pret en wentel je je in de weelde van je eigen huis, je eigen koffie en het excuus om de categorie ‘kloffie’ in je garderobe eens schaamteloos uit te breiden.

Ze keek me indringend aan en zei: 'Je ziet er wel een stuk beter uit dan een tijdje terug'

Maar het genot is eindig. Thuis zijn is vooral prettig als je ook weleens weg bent. Als je soms een reden hebt om je gezicht onder de kraan te houden, echte kleren aan te trekken en vol overmoed en dadendrang de grotemensenwereld in te stappen. Anders volgt onvermijdelijk het kantelpunt:

Het punt waarop het behaaglijke wolletje van comfort verandert in een muffe klamme deken die te zwaar is om van je af te trappen. Het punt waarop de comfortabele kleding die je eerder vierde als de ultieme luxe begint aan te voelen als een lauwwarm bad waar je al iets te lang in zit. Ik heb dat kantelpunt inmiddels bereikt.

Nu we ons tergend traag door de tweede lockdown slepen en mijn uitstapjes zich beperken tot vreugdeloze supermarktbezoekjes en blauwbekken in de buurtspeeltuin, voel ik nog maar weinig noodzaak om mezelf eens goed door de wasstraat te halen.

En je hebt mensen bij wie dat niet veel uitmaakt. De gelukkigen die er opgedoft gewoon uitzien als zichzelf, maar dan net in iets hogere resolutie. Ik ben niet zo iemand. Het verschil tussen mijn ongemoeide en opgepoetste verschijning is groot. Iets met lichte ogen en blonde wimpers: één lik mascara en ik verander van een vage schets in een tekening die ergens op begint te lijken.

Dat vermogen om te transformeren is soms leuk, omdat ik op feestjes vaak verraste complimentjes krijg en het is altijd fijn om niet tegen te vallen. Soms is het minder leuk, omdat ik onopgemaakt nogal eens de vraag krijg of ik uitgeput ben. Of ziek. Of allebei.

Een leidster van de crèche van mijn kinderen klampte me een keer aan toen ik net - strak in de lak -  uit een werkafspraak kwam. Ze legde haar arm op mijn arm, keek me indringend aan en zei: ‘Zo hee, je ziet er wel een stuk beter uit dan een tijdje terug.' Ze sloot even haar ogen voor extra nadruk. 'Poeh meid, wat een verschil.’ Alsof ik net was opgekrabbeld uit een diep dal en niet gewoon die ochtend een klein beetje kleur op mijn gezicht had gesmeerd en een kam door mijn haar had gehaald.

We missen niet alleen de wereld buiten, maar ook de versies van onszelf die we daar zijn

Het zij haar vergeven. Mijn blotebillengezicht en ik hebben inmiddels vrede gesloten. Zelfacceptatie is de weg naar innerlijke rust, dat weet iedereen. Maar na maanden zonder opdirkgelegenheden, verlang ik steeds vaker naar een  reden om me weer eens mooi te maken voor anderen, op een manier die de pure ijdeltuiterij overstijgt. 

Alsof ik me nu pas realiseer dat de behoefte om jezelf af en toe van je beste kant te laten zien niet alleen voortkomt uit behaagzucht, maar ook raakt aan iets dat naar zelfliefde neigt. Jezelf even in warm licht zetten. Het vieren van je verschijning. Naar buiten te stappen met een beetje vering in je voeten. Pronken. Flaneren. Je beste kleren aan, je mooiste veren op.

Nu we ons vooral nog binnen de muren van ons eigen kleine leven bewegen, missen we niet alleen de wereld buiten, maar ook de versies van onszelf die we daarbuiten mogen zijn, en de kostuums die daarbij horen.

We willen zo graag weer even opkomen op een podium dat groter is dan onze eigen huiskamer. We willen ons weer even weerkaatst weten in de ogen van anderen. In de blik van een vreemde bevestigd zien dat we ondanks alles nog steeds bestaan. Dat onze kleuren misschien wat valer zijn dan een jaar geleden, maar in het juiste licht onze vacht nog altijd glanst.

LEES MEER OVER