Close

Best te doen en toch ondraaglijk

21 april 2021 11:04 / Floor Bakhuys Roozeboom
Columnist background Columnist image
F Floor Bakhuys Roozeboom (37) is schrijver en journalist. Ze woont in Amsterdam met haar vriend en twee kleine kinderen. Hier deelt ze haar verwonderingen over de belangrijke (en minder belangrijke) zaken des levens.

Ik heb mijn moeder weer omhelsd. We zouden eigenlijk nog wachten. Haar prik was een paar dagen eerder pas gezet. Dus we wilden voorzichtig zijn. Het vaccin dat onze  krimpende wereld weer zou moeten openbreken, nog wat tijd geven om z'n belofte in te lossen. Nog even geduld hebben. Niet overmoedig worden. Niet het noodlot over ons afroepen. Niet nu nog, zo vlak voor de eindstreep. Dat zou ondraaglijk zijn.

Maar toen stonden we daar op een woensdagochtend. Tijdens een van die vervreemdende bezoekjes met koffie en zonder fysiek contact. In mijn ouderlijk huis, tussen de piano en de kast met koekjes. Op gepaste afstand te praten over dit en dat, zij in haar eigen onzichtbare zeepbel en ik in de mijne, terwijl haar ogen zich vanuit het niets met tranen vulden en ik zag dat het allang ondraaglijk was.

Het schijnt dat ieder mens een eigen taal van liefde spreekt. In mijn familie bemoeien we, praten we en houden we elkaar graag vast. Pas als je elkaar niet meer omhelst, merk je hoeveel we elkaar met onze aanrakingen vertellen. Dat je met woorden wel een brug kunt slaan, maar dat je alleen in een aanraking de afstand even opheft, de batterij van de relatie weer even oplaadt. Een ontmoeting met een geliefde zonder omhelzing voelt als tanken zonder brandstof. Onbevredigend. Onaf.

Mijn dochter was op anderhalve meter afstand van een baby in een waggelende peuter veranderd

Niet dat je ons er snel over zou horen klagen. Montere relativering was tot nu toe ons wapen geweest, in deze crisis die anderen zoveel harder trof. We telden onze zegeningen iedere dag als kraaltjes aan een rozenkrans. Plichtsgetrouw prevelend. Dankbaar zijn we, want we hebben te eten. Dankbaar zijn we, want we zijn nog gezond. Dankbaar, want het had zoveel erger kunnen wezen. Dankbaar zijn we, dankbaar zijn we. Wie als eerste stopt is af.

Dat we elkaar niet meer aanraakten: ja, dat was jammer. De gekoesterde oppasdag was weggevallen. Mijn zoon, ooit zo vertrouwd, durfde niet meer alleen bij opa en oma te blijven. Mijn dochter was op anderhalve meter afstand van een baby in een waggelende peuter veranderd, zonder dat mijn ouders haar op lome middagen in hun armen hadden gehad. Natuurlijk, er waren gestolen momenten geweest - een arm, een aai, een boekje op schoot - maar het terloopse van de nabijheid was eraf.

Of het allemaal nodig was, moeten de wijzen ons later maar vertellen. Toen ons werd gevraagd om thuis te verpieteren voor het vaderland, hebben wij onze plicht niet verzaakt. Of misschien waren we gewoon bang. Sinds het hart van mijn vader had bewezen dat het ook gewoon kon stoppen met kloppen, hadden we het niet zo op gillende sirenes en ic’s. De nachtmerrie die mijn vader nu 'zijn akkefietje' noemde, was alweer tien jaar geleden. Maar de slangetjes, de piepjes, het verdriet op de wachtstand: het stond ons allemaal nog helder voor de geest.

Ook standvastige gelatenheid bleek een houdbaarheidsdatum te hebben

Dus wat waren die paar maanden afstand nou helemaal in het grote plaatje? We kunnen het gemakkelijk opbrengen, zo hielpen we elkaar af en toe herinneren. Het is prima te doen. Heus. En zo niet, dan toch. Maar ook standvastige gelatenheid bleek een houdbaarheidsdatum te hebben. Terwijl ‘even’ almaar langer werd, verloor onze rozenkrans van zegeningen haar bezwerende kracht.

Haast onmerkbaar gleden we kopje onder, in een leven waarin het ons aan niets en toch aan alles ontbrak. Berusting werd ongeduld. Wrange vragen drongen zich op. De momenten die door onze vingers glipten, hoeveel hadden we daar nog van op voorraad? De tijd die we nu als losgeld betaalden, hoeveel stond daar eigenlijk nog van op de bank? Na maanden van geduldig wachten, voelde iedere dag nu als te lang.

En zo kwam het dat mijn moeder en ik elkaar vorige week ineens weer vasthielden. Een jaar van afstand overbrugd in twee stappen, vier onhandige armen, gezichten voor de vorm nog afgewend. Gewoon even staan, terwijl het koffieapparaat snerpt, ergens in de straat een auto parkeert, de kinderen om ontbijtkoek vragen. Een beetje lachen. Een beetje huilen. Voelen. Beseffen dat iets ‘prima te doen’ en toch ondraaglijk kan zijn.

LEES MEER OVER