Close

Een ondoorgrondelijk einde

28 juli 2021 11:07 / Floor Bakhuys Roozeboom
Columnist background Columnist image
F Floor Bakhuys Roozeboom (37) is schrijver en journalist. Ze woont in Amsterdam met haar vriend en twee kleine kinderen. Hier deelt ze haar verwonderingen over de belangrijke (en minder belangrijke) zaken des levens.

In haar laatste mail had mijn vriendin me nog geplaagd met de mislukte auditie voor toneelschool Amsterdam die ik net achter de rug had. Ik had haar verteld over de rij tafels in het auditielokaal die bij dat soort barbaarse gelegenheden de artistieke elite van de onderdanen moet scheiden, precies zoals in de films. Ik had haar verteld hoe ernstige gezichten mij vanachter die rij tafels hadden opgedragen om een actrice te spelen die tijdens het opvoeren van een monoloog voelde dat ze een pinguïn begon te worden. "Speel niet alleen de transformatie tot pinguïn, maar ook de gevoelens die daarbij komen kijken. En vergeet de monoloog niet. Oké? Oké. Begin maar als je er klaar voor bent."

Ik had haar verteld over de blackout die volgde. Hoe ik in een waas van paniek een zelfverzonnen monoloog had staan prevelen terwijl ik weinig overtuigend heen en weer waggelde door het auditielokaal, mijn schouders opgetrokken, halfslachtig flapperend met mijn armen. Zij had er smakelijk om gelachen. Ze had me daarna nog een berichtje gestuurd waarin ze aanbood op taart te trakteren, omdat ik jarig was geweest. Maar het mocht ook rauwe vis zijn als ik dat liever had, vanwege de pinguïn, weet je wel. Nou ja.

Dit gaat niet om een digitale detox. Dit gaat om mij

Dat was het laatste wat ik van haar hoorde. Op mails van mij kwam geen antwoord meer. Ik probeerde het met telefoontjes, sms'jes, Hyves-berichten (zo lang is het al geleden) en later Facebook-berichten. Soms troostte ik me met de gedachte dat ze mijn berichten misschien niet kreeg. Dat ze om een of andere duistere reden alle digitale communicatie had afgezworen en dat al die online gekkigheid haar volledig ontging. Maar dan zag ik ineens posts van haar voorbij komen, reacties op anderen die ze blijkbaar niet negeerde en kon ik niet meer ontkennen: dit gaat niet om een digitale detox. Dit gaat om mij.

We hadden elkaar ooit ontmoet op de schrijversopleiding en vonden verwantschap in onze liefde voor heldere teksten. In onze afkeer voor ondoorgrondelijkheid als kwaliteitsstempel. In het ‘kleren van de keizer’-gevoel dat een zoekend mens op een kunstopleiding kan overvallen, wanneer docenten in katzwijm vallen bij werk waar je zelf niets van begrijpt. Iedere pauze dronken we koffie en beschouwden we onze haat-liefdeverhouding met het schrijversvak van alle mogelijke kanten, tot we door de laatste restjes sarcasme en zelfspot heen waren en er niets meer te bespreken viel. En dan begonnen we weer opnieuw.

Na maanden van radiostilte heb ik haar gevraagd of ze me in elk geval kon zeggen wat de reden was van haar stilte. Vriendschappen gaan voorbij, contacten verwateren, dat is niets om je de haren over uit te trekken, dat hoort erbij. En daarbij: zo goed kenden we elkaar eigenlijk niet. Buiten school om, deelden we weinig. En toch. Toch kon ik me tijdens een van die piekernachten, waarin mijn hele leven nog weleens in een eindeloze spijtcarroussel aan mij voorbij wil trekken, verwoed blijven afvragen: wat was hier nou gebeurd? Als het alleen om verwateren zou gaan, om uit elkaar groeien zoals mensen soms doen, waarom moest de stilte dan zo hard zijn, het einde zo abrubt?

Na het verzenden zag ik plotseling helder dat haar antwoord er allang niet meer toe deed

Een keer heb ik haar gebeld. Jaren geleden. Met onbekend nummer. Een opwelling. Mijn hart klopte in mijn keel. Ineens haar stem, haar naam. Ik zei de mijne. Nog voor ik uit kon spreken, hing ze op. Meteen daarna een mail. Dat ze het niet prettig had gevonden dat ik haar met onbekend nummer had gebeld. Dat ze begreep dat ik een verklaring wilde, maar dat ze die niet kon geven. Dat het niet aan mij lag, maar aan haar. Dat ze gewoon geen contact meer wilde. Dat dat niet was wat ik wilde horen, maar dat het nu eenmaal zo was.

Laatst stuurde ik haar, na het grasduinen door wat oude schoolteksten, weer eens een bericht. Uit een vals gevoel van nostalgie, tegen beter weten in. Als flessenpost bij vloed. Maar na het verzenden zag ik plotseling helder dat haar antwoord er allang niet meer toe deed. En dat het misschien wel nooit de verloren kameraadschap was die me in moeizame nachten nog wel eens wakker hield, maar de realisatie dat je nooit kunt weten of je de tijd die je met iemand doorbrengt wel op dezelfde manier beleeft. Of je de ervaringen die je samen met iemand hebt gehad ook echt hebt gedeeld. Dat de ontreddering van iedere verbroken relatie - lang of kort, diep of vluchtig - niet zozeer schuilt in wat er niet meer is, maar in de twijfel aan wat er wel was. En de vraag of wat je ooit koesterde eigenlijk wel heeft bestaan.