Close

Hoe idyllisch: kotslucht in de camper

25 augustus 2021 04:08 / Floor Bakhuys Roozeboom
Columnist background Columnist image
F Floor Bakhuys Roozeboom (37) is schrijver en journalist. Ze woont in Haarlem met haar vriend en twee kleine kinderen. Hier deelt ze haar verwonderingen over de belangrijke (en minder belangrijke) zaken des levens.

We zagen het al helemaal voor ons. De eerste reis met z’n drieën. Ons toen tien maanden oude zoontje en wij. Dit zou ‘em worden. De reis waarmee we zouden laten zien dat we nog steeds dezelfde reislustige wereldverkenners waren als voorheen. De reis die zou bewijzen dat alles nog altijd mogelijk was. The sky nog altijd the limit. De horizon nog altijd voor het grijpen. Ons vrije leven voorbij? Bitch please. Wij zouden wel even bewijzen dat je niet ineens al je vakanties anders hoeft in te richten omdat je toevallig een kind hebt gekregen. Voor ons geen midweek in een babyproof huisje ergens aan zee.

Een maand lang reizen met een Volkswagenbusje door Italië, dat moest het worden. Net zoals die fotogenieke Instagram-accounts waarop bloedmooie mensen al roadtrippend en mijmerend bij roze zonsondergangen door de wereld trekken. Slapen in de vrije natuur. Plassen in het bos. Luiers verschonen op de achterbank. Water voor de babyflesjes handmatig opwarmen op het kleine gasfornuisje. En af en toe zo’n prachtig Italiaans stadje aandoen voor lange rumoerige avonden vol pasta en wijn, zoonlief zoet slapend in de kinderwagen. Uitdagend? Misschien. Gekkenwerk met een baby? Welnee. Gewoon een kwestie van mindset. Het zou de reis van ons leven worden.

Dit bleek de eerste in een hele reeks ervaringen in de categorie ‘later lach je erom’

Boy, viel dat even tegen. Al op dag twee stonden we naast ons busje stil op een bergweg vlakbij het Comomeer, halverwege een haarspeldbocht, enkeldiep in de distelige berm en van top tot teen onder de kots. Lang verhaal kort: baby’s kunnen ook wagenziek worden. En zo stonden we die avond niet op een idyllisch plekje uit te kijken over het meer – baby op schoot, wijntje in de hand en voetjes omhoog – zoals we ons hadden voorgesteld, maar zaten we gestrand op een grijs parkeerterrein zwijgend een blik tomatensoep weg te lepelen, terwijl we deden alsof we de kotslucht in de bekleding niet meer roken.

Dit bleek de eerste in een hele reeks ervaringen in de categorie ‘later lach je erom’ die we op het moment zelf toch vooral als bijzonder sfeerverlagend ervoeren. De baby die niet het speciaal gekochte tentje in de nok van de bus wilde slapen, zodat we hem met tentje en al aan het voeteneinde van ons camperbed moesten zetten en wij de toch al gebroken nachten met onze benen op de voorstoelen moesten doorbrengen. De regen, die ervoor zorgde dat we soms de hele dag de camper niet uit konden, waar we als de baby sliep eigenlijk alleen maar muisstil op een stoel konden zitten. De vele, vele uren die we op grimmige parkeerplaatsen hebben gestaan, omdat er onderweg naar zonniger oorden nu eenmaal hapjes gegeven moesten worden, flesjes opgewarmd of luiers verschoond.

'De lokroep van het campersprookje, daar kan  nu eenmaal geen realitycheck tegenop'

Ja, het mag dan fotogenieke plaatjes opleveren, zo’n campertrip met koter, maar een maand lang met twee mensen plus baby in een busje met opklapbed slapen? Dat is dus best wel pittig. Alles doen wat je dagelijks voor een baby moet doen – verschonen, wassen, eten geven –  maar dan zonder elektriciteit en stromend water? Ook best pittig. Bij thuiskomst hadden we er vier weken vakantie opzitten en we waren nog nooit zo moe geweest. De zonnezijde: we hadden wél veel geleerd. Dat het geluid van een huilende baby best hard is in een busje van vier bij twee. Dat drie keer per dag melk opwarmen op een campinggasje vrij snel gaat vervelen. Dat een baby verschonen op de achterbank je gegarandeerd je rug kost. Kortom: dat een camper enig is als je met z’n tweeën bent, goed slaapt en alleen hoeft te doen waar je zin in hebt, maar met een baby? Not so much.

En nu voel ik het  dus als mijn plicht om deze waardevolle informatie met mijn medemens te delen. Zeker nu ik steeds meer mensen om mij heen voor het campersprookje zie vallen. Van hippies tot yuppen en van pensionado’s tot onuitstaanbaar knappe stelletjes die zichzelf op sociale media wanderers noemen: sinds de pandemie is het camperbusje is het troetelvoertuig geworden dat een breed scala aan vakantietypes verbindt. En nu lijkt me daar op zich niet zoveel op tegen, maar ook stellen met baby’s en kleine kinderen, wagen zich steeds vaker aan een vakantie in zo’n koddig rijdend koekblik. Want, je hoort ze gewoon mijmeren: hoe héérlijk om er juist in deze fase even lekker uit te gaan met elkaar. Hoe góed ook, om echt even back to basic te gaan met dat kleine grut.

En ik kan alleen maar denken: oh lieverds, doe het niet. Natuurlijk, misschien lag het allemaal aan ons. Misschien blijken jullie ervoor geboren. Maar mijn advies zou zijn: boek gewoon dat kindproof huisje aan zee. Of aan het zwembad voor mijn part. Nu het nog kan. Met elektriciteit en stromend water en een aparte slaapkamer met een deur die dicht kan. Neem je verlies, maak even pas op de plaats. Jouw tijd om te wanderen komt over een paar jaar wel weer. Maar ik weet, het heeft geen zin: de lokroep van het campersprookje, daar kan  nu eenmaal geen realitycheck tegenop. Dus aan iedereen die zwijmelt bij het idee van knusse busjes, blije baby’s en roze zonsondergangen: ga in vrede, koop veel koffie en neem oordoppen mee. En troost je straks maar met de gedachte dat er thuis een lotgenoot op je wacht.

*Deze column verscheen eerder als blog op Floors eigen site.