Close

Had ik die moeder maar mijn hulp aangeboden

23 september 2021 03:09 / Floor Bakhuys Roozeboom
Columnist background Columnist image
F Floor Bakhuys Roozeboom (37) is schrijver en journalist. Ze woont in Haarlem met haar vriend en twee kleine kinderen. Hier deelt ze haar verwonderingen over de belangrijke (en minder belangrijke) zaken des levens.

We waren op vakantie in een zonnig oord. Mijn vriend en ik zaten tegenover elkaar aan een tafeltje, onze zoon in een kinderstoel langszij. We hadden ons verschanst in zo’n lunchetablissement waar toeristen komen om te klamme hitte te ontvluchten, wifi te tappen en hun ontbijt fotograferen. Zo’n tent waar we in avontuurlijker tijden nog nuffig onze neus voor hadden opgehaald, maar waar we nu, met zweet op het voorhoofd en een kind op de arm, dankbaar toevlucht zochten.

Het jongetje was een jaar of 6, met blond haar en een onverstoorbare blik. Hij hoorde bij de moeder die met nog drie andere blonde kinderen aan de tafel naast ons was neergestreken, maar die nu nergens meer te bekennen was. De andere kinderen trouwens ook niet. Waren ze weg? Waren ze naar de wc? We wisten het niet. Wat we wel wisten, was dat dit jongetje plotseling aan onze tafel stond.

Typisch Scandinavisch zeker?

Hij sprak niet, maar van de flarden die we eerder hadden opgevangen, schatten we hem in als ‘Scandinavisch’, wat dat ook moge betekenen. Hij stond zo dichtbij dat ik dacht dat hij iets tegen ons wilde zeggen. Maar net toen ik me naar hem toe boog, pakte hij de croissant die op het schoteltje naast mijn koffie lag en bracht hem naar zijn mond om er een hap van te nemen.

‘Hee. Nee’, wist ik nog uit te brengen, terwijl ik de croissant onderweg naar zijn mond onderschepte. Nog voor ik van de schrik bekomen was, greep hij het koekje dat mijn vriend bij zijn koffie had gekregen en stopte het in zijn mond. Vervolgens liep hij door naar een ander tafeltje, alwaar hij het broodje van het bord van een mannelijke toerist probeerde te grissen.

Geroezemoes golfde door het café, mensen stootten elkaar aan, de jongen vervolgde zijn strooptocht. Mijn verwarring maakte plaats voor irritatie. Krijgt zeker nooit ‘nee’ te horen thuis? Typisch Scandinavisch zeker? Ik stond op en begon tussen de tafeltjes door te slalommen, vastbesloten om de moeder te vinden die het hier zo schromelijk liet afweten.

Nog voor ik iets kon terugzeggen, had ze zich alweer omgedraaid

Ik trof haar bij de wc’s, waar ze net naar buiten kwam, een dreumes op de arm, twee peuters aan één hand. Ik kwam meteen ter zake. ‘Your son is taking food of people’s plates. And, I am sorry, but it’s not OK.’ Ik weet niet of ik een verontschuldiging had verwacht. Maar wat ik niet had verwacht, was de ijzige blik die ze me toewierp, waarna ze zonder iets te zeggen langs me liep, haar zoon kalm doch dwingend richting hun tafeltje dirigeerde en ging zitten.

Verbijsterd voegde ik me weer bij mijn vriend en onze zoon, die inmiddels toch maar aan de gecontamineerde croissant was begonnen. We sisten elkaar net toe hoe bizar het allemaal was, toen de moeder aan ons tafeltje verscheen. Ze sprak Engels met een accent dat ik niet kon thuisbrengen, maar wat ze zei was duidelijk genoeg.

Dat ze niet kon begrijpen dat ze zelf ooit zo moeilijk zou doen over een beetje eten. Dat haar zoon autistisch was. Voor het geval we dat nog niet hadden begrepen. Maar zélfs als hij dat niet zou zijn, dan zou ze altijd met liefde haar eten delen met een kind dat daarom vroeg. Nog voor ik iets terug kon zeggen, had ze zich al omgedraaid en zich weer bij haar kroost aan tafel gevoegd.

Ik kan alleen maar hopen dat de wereld mijn kinderen een beetje genadig is

Bedrukt hebben mijn vriend en ik onze koffie opgedronken. Geruststelling zoekend, bij onszelf en bij elkaar. We wisten het niet! We wisten het toch niet? En het ging toch helemaal niet om het niet willen delen van eten? Hadden we moeten weten dat er iets met de jongen was? Hadden we het kúnnen weten? Nee toch? Nou dan. En toch bleef er iets knagen. Alsof mijn hoofd me vertelde dat ik gelijk had, maar mijn buik me zei van niet.

Vier jaar later lig ik er ‘s nachts nog weleens wakker van. Mijn zoon is inmiddels bijna 5. Ik heb er een dochter bij gekregen. Ze weten hun weg in de wereld meestal aardig goed te vinden. Maar iedere keer dat ze vallen, iedere keer dat ze dwalen, iedere keer dat ze me even ontglippen, iedere keer dat ik mijn hart even vasthoud, kan ik alleen maar hopen dat de wereld ze een beetje genadig is.

En dan wens ik mezelf weer even terug naar dat tafeltje. Naast die vrouw, alleen in een café, met vier kinderen, ga er maar aan staan. Die vrouw waar ik zoveel van vond en zo weinig van wist. En in mijn wens hielp ik haar zoon geduldig om zijn moeder weer te vinden. In mijn wens, wees ik haar niet terecht, maar vroeg ik haar of ze misschien even wat hulp kon gebruiken. Want in mijn wens was ik iemand die beter wist.

LEES MEER OVER