Close

De vloek van de Elsa-vlecht

07 april 2022 01:04 / Floor Bakhuys Roozeboom
Columnist background Columnist image
F Floor Bakhuys Roozeboom (38) is schrijver en journalist. Ze woont in Haarlem met haar vriend en twee kleine kinderen. Hier deelt ze haar verwonderingen over de belangrijke (en minder belangrijke) zaken des levens.

Mama, wil jij een Elsa-vlecht bij mij maken, alseblief?" Mijn vriend en ik zitten na het avondeten aan tafel. Mijn zoon likt zijn bakje yoghurt uit. Mijn dochter is op mijn schoot gekropen, beentjes vooruit, armen over elkaar, rug naar mij toe, zodat er geen misverstand kan bestaan over wat er van mij verwacht wordt.

Mijn dochter, 2 jaar, drie turven hoog en net beland in de fase dat het vocabulaire de mondmotoriek begint in te halen, waardoor ze je verrassend talige volzinnen voorschotelt, maar dan uitgesproken met het stemmetje van een klein knaagdier uit een Disney-film. Een fase die iedereen in haar nabijheid in een continue staat van vertedering en verrukking brengt en die wij hier thuis ook wel peak cuteness noemen. Een fase die voorbij is zodra kinderen zich er zelf ook bewust van worden – en dat moment komt altijd sneller dan je wil. Dus laven we ons nu maar vol overgave aan haar schattigheid, als ware het een zeldzame bloem in volle bloei, waarvan het eerste blaadje elk moment kan vallen.

Geniet er nog maar van, zo worden we van alle kanten toegefluisterd. Geniet er nog maar van. Het is zo voorbij.

"Elsa-vlecht, mama. Mama. Mama?"

Ik sla mijn armen om haar heen en duw mijn neus in haar nek, om de bijna bedwelmende donzigheid van haar wezen in me op te nemen, en vooruit: om tijd te winnen tot het moment dat er daadwerkelijk gevlochten moet worden en ik genadeloos door de mand val. Ik heb namelijk best wat vaardigheden in mijn gereedschapskist zitten, maar het maken van kunstige vlechten is daar niet één van, en het maken van 'Elsa-vlechten' al helemaal niet. Maar helaas is peak cuteness ook een fase waarin de 'nee' gemakkelijker wordt uitgedeeld dan geïncasseerd. Daarbij heeft mijn dochter al op vroege leeftijd een nogal vertekend beeld gekregen van de vlechtvaardigheden van een gemiddeld mens.

Ik krijg haar terug als een stralende elfenprinses uit de wereld van Tolkien

Ze zit namelijk op een crèche waar louter leidsters werken die ergens de afslag richting een carrière als professioneel haarstylist hebben gemist, en die meewarig hun neus ophalen voor de paardenstaarten en frommelknotjes die ik inmiddels tot mijn specialiteiten reken. Hun techniek is onberispelijk, hun repertoire eindeloos: van loeistrakke Mickey Mouse-knotjes met een perfecte middenscheiding tot meerlaagse invlechtcreaties die in een oud-Europees koningsdrama niet zouden misstaan. Ook al lever ik haar 's ochtends af als een soort 2-jarige Ma Flodder, met iets te grote regenlaarzen en een statische bos ongekamd haar mét een vers klontertje pap in de pony, ik krijg haar terug als een stralende elfenprinses uit de wereld van Tolkien, want zo verzekeren ze mij: "Met zulk haar lukt alles."

Alles ja. In theorie.

Ik begin vol goede moed mijn vingers door haar haren te halen, houvast zoekend in de gladde lokken die bij iedere beweging tussen mijn knokkels vandaan glippen, terwijl zij ondertussen ongeduldig op mijn schoot wipt en ik me met een frons tussen mijn wenkbrauwen en de tong tussen de lippen probeer te herinneren wat een Elsa-vlecht eigenlijk ook alweer ís. Mijn vriend kijkt geamuseerd toe.

Het haar hangt als een soort leeggelopen ballon om haar hoofd

Als het tijd is om de vrucht van mijn inspanning te presenteren, blijkt dat niet meer te zijn dan een uitgezakt vlechtje, dat ergens onder de bolling van haar achterhoofd begint en als een miezerig staartje in haar nek ligt. Het haar dat niet in de vlecht wil blijven zitten, hangt als een soort leeggelopen ballon om haar hoofd.

"Klaar", zeg ik dapper.

"Elsa-vlecht", jubelt ze.

Het moment van vreugde is kort.

Met twee handen voelt ze aan haar hoofd, laat haar vingers van bovenop haar kruin langs haar achterhoofd naar beneden glijden en als ze voelt wat ik ervan terecht heb gebracht, trekt de teleurstelling als een siddering door haar lijfje. Ze werpt zich van mijn schoot, trekt met een ruk het elastiekje uit haar haren en jammert, terwijl de tranen haar in de ogen springen: "Geen Elsa-vlecht! Geen Elsa-vleheheecht!"

Ik probeer haar liefdevol uit te leggen dat ik niet weet hoe je een Elsa-vlecht moet maken. Dat dit de enige vlecht is die ik wél kan. En dat ze het de volgende keer misschien toch aan de juffen op de crèche moet vragen. Maar ik zie het allang: het is zinloos. Ik bereik haar niet meer.

De vlokken van haar sneeuwjacht dwarrelen nog door de kamer

Dat is namelijk een ander typerend aspect van de peak cuteness-fase: de snelheid waarmee donzigheid kan omslaan in drift. Het mengpaneel van hun emoties bedienen lukt op die leeftijd nog niet altijd zonder uit te schieten.

Als een Elsa die haar magie nog niet kan beheersen, slingert mijn dochter haar woede de kamer in. Ze gilt. Ze schreeuwt. Ze stampt. Ze geeft ons en zichzelf een voorproef van haar kracht.

Tien minuten later rest ons slechts de stilte na de tranen en haar bittere teleurstelling over mijn incompetentie. Van onder de tafel, waar ze haar toevlucht zocht om tot zichzelf te komen, hoor ik haar steeds rustiger ademen. De vlokken van haar sneeuwjacht dwarrelen nog door de kamer, maar de wind is gaan liggen.

Over de tafel heen vang ik de ogen van mijn vriend. Een blik is genoeg. Hij neemt een slok van zijn wijn. Ik sluit mijn ogen en luister naar de stilte.

Geniet er nog maar even van. Het is zo voorbij.

LEES MEER OVER